Wederopbouw na WOII

Thematisch

De jaren 1945-1970: een periode van wederopbouw van steden, grote woningbouwprojecten en radicale stadsvernieuwingen.

Na de Tweede Wereldoorlog richtte Nederland zich, mede dankzij de buitenlandse Marshall-hulp, op de wederopbouw: herstel van havens, industrie, infrastructuur en steden. Daarnaast moest woningnood bestreden worden, in jaren ’50 ‘volksvijand nummer 1’.

Direct na de bevrijding komen de eerste plannen voor woningbouw op tafel. Vanwege de schaarste aan bouwmaterialen begint men te experimenteren met alternatieve bouwmaterialen of nieuwe industriële bouwwijzen. Systeem- of montagebouw is het toverwoord. Met voorgefabriceerde betonnen elementen wilde men zo snel mogelijk een groot aantal woningen uit de grond stampen, deels om het gebrek aan baksteen op te vangen en deels om de productie van woningen zo snel mogelijk op te voeren. Nadeel is dat grote hoeveelheden gelijke delen nodig zijn om de kosten te drukken. Zo ontstaan wijken met rij na rij dezelfde flats en huizen, waarin geen variatie mogelijk is. De meest gangbare woningtypen worden de doorzonwoning en de galerijflat.

Daarnaast is er een grote aandacht voor verkeer. Niet alleen heropgebouwde steden moeten goed voor de auto bereikbaar zijn (Rotterdam), maar ook bestaande steden worden opengebroken waarbij het oude stedelijk weefsel moet wijken voor de auto (Amsterdam, Utrecht). Daarbij gaat men uit van een scheiding van functies: werken in de binnenstad, wonen daarbuiten. Projecten als Hoog Catharijne in Utrecht en de Bijlmermeer in Amsterdam zijn daar een direct gevolg van.

Het was een radicale periode in de Nederlandse architectuur, waar langzamerhand steeds meer protest van de bevolking op kwam… Historisch besef en de desillusie van de eerste projecten maakten een einde aan deze periode en leidden de jaren ’70 in met haar herbergzaamheid en woonerven.

Vergelijkbare projecten